HOOFDSTUK 2
![Tekstvak: Barmhartig (bn) [vertalende ontlening aan Lat. miserĕri (zich erbarmen)], 1 medelijden, mededogen hebbende: de barmhartige Samaritaan (Luc. 10:25-37); barmhartige broeders en zusters, leden van geestelijke orden, die zich vooral aan ziekenverpleging wijden; 2 (van God) zich erbarmend, syn. genadig –heid (v.), 1 gezindheid van medelijden, mededogen te hebben, syn. mededogen: de (zeven) werken van barmhartigheid (Matth. 25:35-40, Tob. 1:20), de hongerigen spijzigen, de dorstigen te drinken geven, de naakten kleden, de vreemdelingen herbergen, de gevangenen bezoeken, de zieken bezoeken en de doden begraven; geestelijke werken van barmhartigheid, gebed en offer ter verkrijging van dezelfde resultaten als bij de zeven werken van barmhartigheid; een werk, een daad van barmhartigheid; zuster van barmhartigheid; 2 (veroud., in Belg., gall.) berg van barmhartigheid, bank van lening..
(Uit: Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, twaalfde druk in de nieuwe spelling)](file:///C:\Users\Joy\AppData\Local\Temp\msohtmlclip1\01\clip_image001.gif)
Encycliek Rerum Novarum (1891);
Van de nieuwe dingen
2.1 Verantwoording van de keuze van deze encycliek
In het denken van de pausen over
sociale kwesties bestaat sinds 1740 (sinds Benedictus XIV) tot aan onze tijd
een zekere samenhang.
Vóór die tijd
kon de vraag naar samenhang tussen moraaltheologie en pauselijke encyclieken
niet gesteld worden. Want het was eerst in 1740 dat Benedictus XIV de gewoonte
van de pausen van het begin van het christendom herstelde om encyclieken te
schrijven, en om deze te voorzien van pauselijk leergezag.
De encycliek
als theologisch genre is heel duidelijk een uitvloeisel van het brievengenre
uit het Nieuwe Testament en de traditie van de Middeleeuwse decretalen. Wat de
moderne encycliek van haar vroegere voorbeelden onderscheidt, althans voor een
deel, is haar universaliteit. Pauselijke encyclieken zijn niet bedoeld voor de
bijzondere behoeften van een plaatselijke kerk, maar voor vragen en kwesties
die voor de hele kerk een probleem vormen, een probleem dat gewoonlijk geacht
wordt invloed te hebben op de maatschappelijke en culturele voorwaarden
waaronder mensen het doel van hun schepsel-zijn nastreven: een authentiek
menselijk bestaan als weg tot vereniging met God[1].
De pausen die vóór Leo XIII al
uitspraken deden over de ‘sociale kwestie’ verzetten zich tegen de theorie van
het sociale contract en tegen ongebreidelde kapitalistische markteconomieën.
Toch is ieder het er over eens dat
Rerum Novarum op een bijzondere manier een nieuw begin inluidde in het
katholieke denken over sociale kwesties, en aldus een soort magna charta voor
het hedendaagse katholieke denken over sociale kwesties vormt. Leo XIII legde
met zijn encycliek Rerum Novarum de grondslag voor een officiële katholieke sociale
leer door de hervormingsideeën, in de 19e eeuw ontwikkeld door
sociaal voelende katholieken, bijeen te brengen[2]. Vóór
1891 bestond er geen sociale leer in de zin van systematisch geordende en
kerkelijk goedgekeurde principes en uitspraken over sociale en economische
aangelegenheden. Natuurlijk werden sociale en economische kwesties wel
uitvoerig bediscussieerd door theologen en anderen in de kerk, maar Rerum Novarum
verleende als het ware een inkadering aan de diverse eerdere discussies en een
‘blauwdruk’ voor toekomstige reflecties over de sociale kwestie[3].
Rerum Novarum heeft de basis gelegd
voor de moderne theologie van de sociale rechtvaardigheid. Door deze encycliek
werd de kerk als geheel zich bewust van het bestaan (èn de ernst) van het
schandaal van de op grote schaal bestaande sociale onrechtvaardigheid[4]. Leo
XIII neemt hiertegen een duidelijk moreel standpunt in. Rerum Novarum
committeert de katholieke kerk officieel aan een afwijzing van een van de
centrale stellingnamen van het liberale kapitalisme van de Westerse wereld,
namelijk dat arbeid een productiefactor is die gekocht kan worden tegen
marktprijzen die bepaald worden door de wet van vraag en aanbod, en niet door
de menselijke behoeften van de werknemer en diens gezin[5].
De katholieke leer over sociale
kwesties vormt sinds Rerum Novarum een traditie die zich duidelijk ontwikkelt,
en die openstaat voor de geschiedenis en voor nieuwe feiten. Pausen na Leo XIII
hebben er steeds een nieuwe, aan hun tijd aangepaste, analyse van gegeven in
het licht van de veranderende economische en politieke omstandigheden. Daarbij
worden normen en criteria gebruikt die zijn ontleend aan het evangelie en aan
de menselijke ervaring, om richting te geven aan het handelen[6].
Het kan dan ook niet anders of een
bespreking van het begrip gerechtigheid in de sociale leer van de kerk moet
beginnen bij Rerum Novarum.
2.2 Context
In de 18e eeuw voltrekt
zich in Engeland, spoedig gevolgd door andere Europese landen, een omzetting
van de economische en sociale verhoudingen en worden de voorwaarden gecreëerd
voor de industriële revolutie[7]. Deze
ontstaat onder invloed van diverse, wederzijds van elkaar afhankelijke, en
elkaar stimulerende factoren:
·
Calvinistische arbeidsethiek.
Plichtsgetrouwheid, soberheid en nuchtere berekening leiden tot de vorming van
particulier kapitaal, beschikbaar voor investeringen en voor industriële
uitbreiding van de productie;
·
Kapitalisme, theoretisch gefundeerd door
Adam Smith[8] en de
klassieke school in de economie. Gemeenschappelijk voor de theoretici van deze
school is dat zij de waarde van een product relateren aan de doorsnee
hoeveelheid arbeid die in een product ligt opgeslagen. Vandaar de aanduiding
‘arbeidswaardeleer’.
·
Op basis van arbeid, winstbejag en vrijheid
ontwikkelt deze school het economisch liberalisme.
·
Met de aandrijving van een arbeidsmachine door
een stoommachine (1789) begint de mechanisatie van de arbeid.
·
De kapitaalrijkdom leidt tot een agrarische
revolutie: verdeling van meenten, opheffing van kleine boerderijen en
omheining van woeste gronden door aristocratische grootgrondbezitters. Hun
pachters werken volgens nieuwe rationele methoden, die arbeidskracht besparen.
·
De stijgende grondopbrengst en de vooruitgang
van de medische wetenschap veroorzaken overbevolking.
·
Industrialisatie: het nieuwe
fabriekssysteem vereist kapitaal voor machines, arbeidskrachten en afzetmarkten
voor machinale massaproductie.
·
Uit alle lagen van de bevolking vindt de vorming
plaats van nieuwe klassen:
o Ondernemers
(particuliere kapitaalbezitters) en
o Ongeschoolde
proletariërs. Door het grote aanbod van werkkrachten en met ongehoord
harde middelen als overmatige werktijden, hongerlonen, vrouwen- en kinderarbeid
kan in de fabriek een nieuwe arbeidsdiscipline worden gevestigd.
·
De hongerlonen worden gerechtvaardigd door de loontheorie
dat arbeid en koopwaar zijn onderworpen aan dezelfde wetten van vraag en
aanbod.
De industrialisatie veroorzaakt
verstedelijking (concentratie in industriegebieden), ze ontwikkelt een
democratische klassenmaatschappij, verhoogt het nationale inkomen en de
algemene levensstandaard en door de vorming van een wereldmarkt legt ze de
grondslag voor een nog steeds voortdurend tijdperk van technische ontwikkeling.
Het handwerk en de kleine
boerenstand gaan achteruit en de klassentegenstellingen worden scherper. De
enorme massa van de proletariërs verpaupert. Mannen, vrouwen en kinderen moeten
leven en werken in onmenselijke omstandigheden. Niet alleen in Engeland, maar
in alle geïndustrialiseerde landen. Het is geen wonder dat ‘het sociale probleem’
het meest dringende vraagstuk wordt.
In zijn encycliek Centesimus Annus[9]
beschrijft paus Johannes Paulus II het sociale probleem en daarmee de situatie
ten tijde van het verschijnen van Rerum Novarum aldus: ‘ Er was een nieuwe vorm
van eigendom, het kapitaal, verschenen en een nieuwe vorm van arbeid, de
gesalarieerde arbeid die gekenmerkt werd door zware productietempo’s, zonder
dat op gepaste wijze rekening gehouden werd met sekse, leeftijd of gezinssituatie,
en die alleen bepaald werd door efficiëntie met het oog op de vermeerdering van
de winst. Zo werd de arbeid koopwaar (….) waarvan de prijs geregeld werd door
de wet van vraag en aanbod. (….) Het gevolg van die verandering was de
verdeling van de maatschappij in twee klassen die door een onmetelijke kloof
gescheiden waren. (….) Op het hoogtepunt van deze tegenstelling, toen de zeer
ernstige onrechtvaardigheid van de sociale werkelijkheid zoals zij op vele
plaatsen bestond ten volle aan het licht was gekomen, evenals het gevaar van
een revolutie (….), kwam Leo XIII tussenbeide (….).
Inderdaad braken in 1848 in meerdere Europese
landen revoluties uit. In datzelfde jaar wordt het Communistisch manifest van
Karl Marx en Friedrich Engels gepubliceerd.
In 1859 schrijft Marx zijn ‘Kritik
der politischen Oekonomie’, het eerste deel van ‘das Kapital’.
Tegen de achtergrond van de enorme
verpaupering en het al tientallen jaren gaande debat tussen socialistische,
liberale en christelijke sociale denkers publiceert in 1891 paus Leo XIII zijn
encycliek Rerum Novarum.
|
Uit:
Van
uitsluiting en armoede naar solidariteit en gerechtigheid
Vastenbrief
van de Nederlandse Bisschoppenconferentie, 2004:
|
|
GERECHTIGHEID
VRAAGT OM BARMHARTIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID
In de bijbel heeft gerechtigheid met
God en met medemensen van doen. Gerechtigheid is genade èn opdracht. In
aansluiting op dat bijbels begrip verstaan wij ‘gerechtigheid’ als méér dan
‘ieder het zijne’. Het is recht doen aan elkaar. Onze geloofsgemeenschap
voelt zich daarom geroepen uitsluiting en armoede om te zetten in
solidariteit. We doen dat vanuit barmhartigheid en rechtvaardigheid.
Barmhartigheid is de meest intieme en directe vorm van solidariteit. De
aalmoes herinnert eraan. Het lijden van de uitgesloten medemens in nood doet
een direct beroep op ons hart, onze inzet en hulp.
Maar hoe belangrijk barmhartigheid in
de dagelijkse levenspraktijk ook is, het is niet voldoende. Solidariteit
vraagt óók om structuren van gerechtigheid. Door de inrichting van de
samenleving en de verhoudingen tussen mensen en volkeren te baseren op het
algemeen welzijn en op de zorg voor heel de schepping, zetten zij uitsluiting
om in deelname. Want uiteindelijk weegt het algemeen welzijn, dat alle
deelbelangen overstijgt, zwaarder dan de belangen van de enkeling of een
groep.
Barmhartigheid en rechtvaardigheid vullen
elkaar aan. Zij hebben elkaar onverbrekelijk nodig. Barmhartigheid zonder
rechtvaardigheid blijft vaak beperkt tot individuele en tijdelijke
noodverbanden. rechtvaardigheid zonder barmhartigheid heeft vaak te weinig
oog voor de individuele mens, uniek geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.
|
2.3 Samenvatting van deze encycliek
Rerum Novarum begint met de
woorden: ‘De eenmaal opgewekte omwentelingszucht, die zolang reeds het
politieke leven beroert, moest te eniger tijd wel van het staatkundige naar het
aangrenzende sociaal-economische terrein overslaan. Inderdaad de ongekende
groei der industrie, de verandering der bedrijfstechniek, de wijziging in de
onderlinge verhoudingen tussen patroon en arbeiders, de opeenhoping van rijkdom
bij weinigen en het gebrek bij de grote massa, voorts enerzijds het groter
zelfbewustzijn der arbeiders, en anderzijds hun nauwere onderlinge
aaneensluiting, bovendien het groeiend zedenbederf, - al deze factoren hebben
de strijd doen ontbranden. (….)
Daarom hebben wij gemeend,
eerbiedwaardige broeders, ter wille van het welzijn der Kerk en van het
algemeen belang, juist als wij vroeger deden door het uitvaardigen der
encyclieken over het staatsgezag, de menselijke vrijheid, de christelijke
inrichting der staten en andere soortgelijke onderwerpen, ter doelmatige
weerlegging van verkeerde opvattingen, dit ook thans en om dezelfde redenen te
moeten doen, wat betreft de toestand der arbeiders.’
Na aldus de problematiek geschetst
te hebben, bespreekt de paus achtereenvolgens
1. het
socialisme en waarom de oplossing die het socialisme voorstaat verwerpelijk is
en
2. de
juiste oplossing van het vraagstuk.
Ad. 1. Het socialisme en waarom de oplossing die het voorstaat verwerpelijk
is
Het socialisme, zo zegt de paus,
wil het privaateigendom vervangen door gemeenschapseigendom. Leo XIII vindt dit
een verkeerde oplossing van het sociale vraagstuk[10],
omdat:
a. dit
de toestand van alle loontrekkenden zou verslechteren;
b. het
in strijd is met de rechtvaardigheid, want het recht op privaateigendom komt de
mens van nature toe
1. als
individu, en
2. als
hoofd van een gezin;
c. het
de taak van de staat miskent en
d. het
maatschappelijke verwarring en hatelijke slavernij zou brengen.
Ad. 1 a De arbeider hoopt door zijn inspanningen niet alleen in zijn
levensonderhoud te voorzien, maar tevens iets opzij te kunnen leggen om
vervolgens zijn spaargeld te kunnen beleggen in eigen bezit. Op deze wijze
hoopt de arbeider zijn bezit te vermeerderen en zijn toestand te verbeteren.
Door het privaateigendom te willen vervangen door gemeenschapseigendom ontneemt
het socialisme aan de arbeider zijn hoop op en mogelijkheden tot verbetering
van zijn levensomstandigheden.
Ad. 1 b 1 Het komt de mens van nature toe goederen in
privaateigendom te bezitten. Hierin verschilt de mens zeer duidelijk van het
dier. Omdat alleen de mens met rede begaafd is, moeten aan de mens goederen
verstrekt worden. Niet alleen voor het gebruik (wat immers ook geldt voor de
dieren), maar in vast en blijvend bezit. En dit dan niet alleen waar het
betreft verbruiksgoederen, maar ook goederen die na het gebruik nog in stand
blijven (bijvoorbeeld landeigendom).
Dat God de aarde
aan het mensdom in zijn geheel heeft gegeven, kan op generlei wijze een
beletsel zijn voor het privaatbezit. God heeft de aarde als gemeenschappelijk goed
aan de mensen gegeven. Maar dit betekent niet dat eigendom een gemeenschappelijke
eigendom is. Veeleer is het zo dat God het aan de persoonlijke inspanningen van
de mensen en van de instellingen der volkeren heeft overgelaten om te komen tot
een afbakening van de particuliere eigendommen. En hoe de aarde ook is verdeeld
onder de mensen, altijd blijft zij ten dienste staan van het gemeenschappelijk
nut. Wie geen vermogen heeft, vult dit aan door arbeid. Zo arbeidt iedere mens
òfwel op eigen grond, òf in het bedrijf van een ander tegen een loon, dat
‘geput wordt uit de rijke opbrengst der aarde en daarvoor weer wordt
ingeruild’.
Ad. 1 b 2 Het eigendomsrecht dat door de natuur aan de
mens als individu is verleend, moet ook toegekend worden aan de mens als hoofd
van het gezin. Dit recht is zelfs sterker naarmate de menselijke persoon in
gezinsverband meer belangen omvat. Het is een onschendbare natuurwet dat de
vader voor zijn gezin zorgt, en aan zijn kinderen bij erflating vruchtdragende
goederen overdraagt. Het gezin is een maatschappij in het klein met minstens
gelijke rechten als de burgerlijke maatschappij. Het huisgezin gaat zelfs
vooraf aan elk staatsverband, en daarom zijn zijn rechten ouder en vloeien meer
onmiddellijk voort uit de natuur.
Ad. 1 c Het burgerlijk gezag mag niet naar
willekeur zijn bemoeiingen uitstrekken tot de interne aangelegenheden van het
gezin. Wel moet het staatsgezag hulp bieden aan gezinnen in nood en aan ieder
zijn recht verzekeren. Beschermen en beveiligen, dat is de taak van de
overheid. Maar verder mag de staat niet gaan.
Ad. 1 d Gemeenschapseigendom zal leiden tot stoornis
en verwarring bij alle standen, en tot slavernij der burgers. Door aan het
talent en de bekwaamheid van de individuen de prikkel te ontnemen, zullen de
bronnen zelf van de rijkdom uitdrogen. De gelijkheid zal geen andere zijn dan
dat ieders bestaan even ellendig en onwaardig is.
Ad. 2. De juiste oplossing van het vraagstuk
Na aldus vastgesteld te hebben dat
bij het zoeken naar lotsverbetering van het volk als eerste grondslag moet
worden genomen het ongeschonden bewaren van het privaatbezit, zet Leo XIII
vervolgens uiteen wat naar zijn mening de juiste oplossing is van het sociale
vraagstuk. Hieraan dient medewerking te worden verleend door:
a. de
kerk,
b. de
staat en
c. belanghebbenden
zelf.
Ad. 2 a Medewerking door de kerk[11]:
·
Bevoegdheid.
Aan het
evangelie ontleent de kerk de bevoegdheid om mee te werken aan een oplossing
van het sociale vraagstuk. De kerk beijvert zich om het verstand voor te lichten
en om met haar voorschriften ieders levenspraktijk te vormen. Door talrijke
nuttige instellingen brengt de kerk verbetering in de levensomstandigheden van
de proletariërs.
·
Kerkelijke leer.
Na dit te hebben
vastgesteld, betoogt de paus vervolgens dat men niet moet ingaan tegen de voor
de mensheid vastgestelde ordening. In de maatschappij kan het lagere niet
gelijk worden aan het hogere. Het socialistische streven hiertoe gaat in tegen
de natuur. De mensen verschillen immers onderling op vele punten (verstand,
bekwaamheid, gezondheid, krachten). Aan het moeten arbeiden en aan het bestaan
van het lijden valt niet te ontkomen. Wie aan het ‘arme volk’ een leven
voorspiegelt vrij van smart en kommer en vol ongestoord en altijddurend genot,
misleidt het volk en pleegt bedrog. Het druist in tegen de reden en de waarheid
aan te nemen dat de rijken en de armen van nature voorbestemd zijn tot een
onderlinge strijd. De twee klassen horen eendrachtig met elkaar samen te leven,
want de een heeft de ander nodig. Geen kapitaal kan bestaan zonder arbeid, noch
arbeid zonder kapitaal.
De kerk brengt
beide klassen weer tot hun wederzijdse verplichtingen. Voor de proletariër en
de werkman zijn dat onder andere:
o Volledig
en getrouw de arbeid verrichten waartoe men zich verplicht heeft door een vrij
en billijk contract.
o Het
eigendom van de werkgever niet beschadigen noch diens persoon krenken.
o Ook
bij het verdedigen van zijn belangen zich van geweld onthouden en in geen geval
oproer maken.
De rijken en de
werkgevers hebben onder andere de volgende verplichtingen:
o De
werklieden niet als slaven beschouwen.
o In
de werklieden de waardigheid van hun persoon eerbiedigen. Loonarbeid strekt de
mens niet tot schande maar tot eer, omdat dit de werknemer in staat stelt om op
eerzame wijze in het levensonderhoud te voorzien. Het is schandelijk en
onmenselijk om de mensen uit te buiten als waren het zaken, en hen niet hoger
te schatten dan hun spierkracht reikt.
o Rekening
houden met de godsdienstige en zedelijke belangen van de werknemers.
o De
werknemers niet meer werk opleggen dan hun krachten kunnen verzetten, en geen
arbeid laten verrichten die strijdt met leeftijd of geslacht.
o De
belangrijkste verplichting is echter om aan ieder te geven wat rechtvaardig is.
De paus wijst er op dat er onderscheid is tussen het rechtvaardig bezit van
rijkdommen en het rechtvaardig gebruik er van. Het is een natuurlijk recht van
de mens om goederen te bezitten in privaateigendom, maar men dient de goederen
te bezitten alsof ze gemeenschappelijk zijn. Dus zo dat men er gemakkelijk van
meedeelt aan anderen die in nood verkeren. Nadat er voldoende is gezorgd voor
de eigen behoeften en stand, is het een plicht om datgene wat over is te delen
met de armen.
Armoede is geen
schande, en niemand hoeft zich te schamen die door handenarbeid in zijn
levensonderhoud voorziet. De wezenlijke waarde van de mens bestaat in zijn
zedelijk gedrag, dat wil zeggen in deugd. De deugd is het gemeenschappelijk
erfgoed van de mensen, onder het bereik van de lagere en de hogere klassen, van
de rijken en de armen.
·
Toepassing van de kerkelijke leer.
Als dan de
mensen gehoor geven aan deze kerkelijke voorschriften, zijn zij door
broederlijke liefde met elkaar verbonden. En dan zullen zij inzien en begrijpen
dat alle mensen, zonder uitzondering, door God zijn geschapen. En dat de
goederen der natuur en de gaven van de goddelijke genade gemeenschappelijk en
zonder onderscheid aan de hele mensheid toebehoren. Als deze rechten en
plichten die door de christelijke wijsbegeerte worden verkondigd in de
burgerlijke samenleving werden onderhouden, zou dan niet ‘spoedig alle strijd
zijn beëindigd?’
·
Activiteit van de kerk.
De kerk wijst
aldus de weg waarlangs genezing is te vinden. Maar zij ‘dient ook eigenmachtig
het geneesmiddel toe’: door verbreiding van de kerkelijke leer, doch ook door
zorg voor de stoffelijke belangen en door het oprichten en steunen van
instellingen die geschikt zijn om de nood te lenigen.
Ad. 2 b Medewerking door de staat[12]:
·
Menselijke hulpmiddelen.
Een ieder die
het betreft moet, zonder uitzondering, hetzelfde doel nastreven en het zijne
bijdragen aan de oplossing van de sociale kwestie.
·
Algemeen welzijn.
Het welzijn van
een staat wordt het meest bevorderd door: goede zeden, een goed en ordelijk
gezinsleven, het onderhouden van de plichten van de godsdienst en de
rechtvaardigheid, een matige en billijke belastingdruk, vooruitgang van handel
en nijverheid, bloei van de landbouw en dergelijke. Door dit alles krachtig te
bevorderen, helpt de staat alle klassen en verbetert vooral de toestand van de
proletariërs aanzienlijk. De proletariërs zijn van nature op gelijke
rechtsgrond als de rijken; de staat moet de vereiste zorg besteden aan de
bescherming van het welzijn en de belangen van de proletariërs. Als dit niet
geschiedt, wordt de rechtvaardigheid geschonden die gebiedt aan ieder het zijne
te geven. De regeerders dienen alle klassen van burgers gelijkelijk te beschermen,
door de zogenaamde verdelende rechtvaardigheid ongeschonden te bewaren. Alle
burgers moeten bijdragen aan het geheel van de gemeenschappelijke goederen,
waarvan dan weer ieder zijn deel ontvangt. Mensen zijn verschillend, en dus zal
de een besturen, een ander wetten maken, of recht spreken en zullen anderen
arbeiden. Eenieder draagt zo bij aan het algemeen welzijn. De arbeid van de
proletariërs is voor de productie van eenieders levensbehoeften de
invloedrijkste en onontbeerlijkste factor. De rijkdom der staten ontstaat uit
niets anders dan uit de werkzaamheid van de arbeiders. De staat moet derhalve
alles bevorderen wat de toestand van de arbeiders ten goede kan komen.
·
Recht en plicht van de staat.
De burgers noch
de gezinnen mogen geheel opgaan in de staat. Aan beiden moet de bevoegdheid
gelaten worden om vrij op te treden, in zoverre daardoor geen afbreuk wordt gedaan
aan het algemeen welzijn noch aan iemands recht. Het is evenwel de taak van de
overheid om de gemeenschap, en de delen ervan, te beschermen. Het verzekeren
van het openbaar welzijn is het enige doel en de enige bestaansgrond van de
staatsmacht. Als het algemeen belang of de belangen van de afzonderlijke
klassen geschaad (of bedreigd) worden, dan moet de overheid ingrijpen. De wet
moet niet meer willen regelen, noch verder gaan, dan nodig is voor ‘het herstel
der nadelen of het afweren van het gevaar’. De rechten moeten gehandhaafd
worden. Door onrecht tegen te gaan en te straffen moet de openbare macht zorg
dragen dat ieder in het bezit blijft van het zijne. Echter, bij het beschermen
van de rechten van de individuen moet vooral aandacht worden geschonken aan de
geringen en de armen. Zij steunen immers, niet beveiligd door eigen vermogen,
vooral op de bescherming van de staat.
·
En verder.
Eerste plicht
van de staat is het privaateigendom door het gezag en de steun van wetten te
beschermen. De overheid moet stakingen (die immers een bron van onrust en
onlusten zijn) voorkomen door tijdig de oorzaken van een dreigend conflict
tussen patroons en arbeiders weg te nemen. De staat moet de geestelijke
belangen van de arbeiders beschermen. Immers, het leven op aarde is slechts een
weg en een middel om het ‘leven der ziel’ te vervolmaken door de kennis van de
waarheid en de liefde tot het goede. Hieruit volgt dat niet mag worden gewerkt
op zon- en feestdagen, die zijn bedoeld voor ‘rust, verbonden met godsdienst’.
De overheid moet er voor waken dat er van de arbeiders een redelijke werktijd
wordt verlangd, met voldoende rusttijden. Van vrouwen en kinderen mag men niet
hetzelfde eisen als van een volwassen en krachtig man. Kinderen mogen niet te
jong al aan het werk worden gezet. Bepaalde soorten werk zijn niet geschikt
voor vrouwen. Zo nodig mag de overheid ingrijpen in de loonovereenkomst. Het
loon van de arbeider moet voldoende zijn voor de levensbehoeften, voor de
instandhouding van het leven zelf, van hemzelf en van zijn gezin. Dringender en
ouder dan de vrije wil van de contractanten is hier de eis der
rechtvaardigheid. De overheid dient bij de wettelijke bescherming van het
privaateigendom te bevorderen dat ook de grote massa van het volk eigendom kan
verwerven door te sparen. Buitensporige directe en indirecte belastingen dienen
derhalve vermeden te worden.
Ad. 2 c Medewerking door belanghebbenden[13]:
·
Organisatie patroons en arbeiders.
De patroons en
de arbeiders kunnen zelf veel bereiken door middel van instellingen die
doelmatige steun brengen aan behoeftigen en toenadering bevorderen tussen de
beide klassen. Organisaties van werklieden, dan wel van werklieden en patroons
tezamen, zijn zeer doelmatig. De paus spreekt ondubbelzinnig uit dat de
werklieden en de patroons het volle recht hebben om deze organisaties te
vormen.
·
Samenwerking.
Van nature zoekt
de mens samenwerking met anderen. Hij doet dat in de burgerlijke maatschappij,
maar ook in andere verenigingen met zijn medeburgers. Het doel van de
burgerlijke maatschappij is gelegen in het algemeen welzijn. De
rechtvaardigheid eist dat allen tezamen en ieder afzonderlijk naar verhouding
hieraan deel heeft. Het doel van de vereniging is een particulier belang, dat
alleen de aangeslotenen betreft.
·
Particuliere verenigingen.
De mens bezit
van nature het recht om particuliere verenigingen op te richten. Deze
verenigingen zijn even zovele onderdelen van de staat. De staat kan in het
algemeen de particuliere verenigingen niet verbieden; zij is veeleer ingesteld
tot bescherming ervan. Wel mag de staat de oprichting verbieden van
verenigingen die een doel beogen dat in strijd is met de goede zeden, de
rechtvaardigheid of de staatsveiligheid. Reeds bestaande verenigingen met een
dergelijk doel mag de staat opheffen. De staat moet hier echter met de grootste
omzichtigheid te werk gaan. Zeker waar het betreft allerlei genootschappen,
congregaties en religieuze orden is het veeleer de plicht van de staat om ze te
eerbiedigen, in stand te houden en zo nodig tegen onrecht te beschermen.
·
Arbeidsorganisaties op godsdienstige grondslag.
De paus
waarschuwt vervolgens de werklieden voor de vele arbeidersorganisaties die door
de leiders ervan een richting worden uitgestuurd ‘die niet in overeenstemming
is met de leer van Christus noch met het belang der staten, terwijl zij door
zich meester te maken van alle arbeidsgelegenheid er naar streven hen die
weigeren zich bij hen aan te sluiten te straffen door broodroof’. De
christelijke arbeiders worden derhalve voor de keus gesteld om ofwel lid te
worden van verenigingen die geen gevaar opleveren voor hun godsdienst, ofwel
zelf eigen organisaties op te richten.
·
Behartiging arbeidersbelangen.
De paus looft
degenen, priesters en leken, die werk maken van het verbeteren van de leef- en
arbeidsomstandigheden van de proletariërs. De bisschoppen moeten dit stimuleren
en ondersteunen.
·
Vrijheid van inrichting en bestuur
Bij de
oprichting van particuliere verenigingen hebben de burgers de vrijheid om een
en ander zo te regelen als henzelf goed dunkt. Daar moeten geen regels aan
worden gesteld. Wel moeten de werkliedenorganisaties zo worden ingericht en
bestuurd ‘dat zij het veiligst en het zekerst leiden naar het beoogde doel: de
zo hoog mogelijke ontwikkeling van het lichamelijk, geestelijke en stoffelijk
welzijn van de leden’.
·
Verdere vermaningen
De functies in
de vereniging moeten overeenkomstig het algemeen belang worden verdeeld, en wel
zo dat ongelijkheid geen afbreuk doet aan de eensgezindheid.
·
Strijd over het lot van de arbeiders
De ‘maatschappelijke
strijd’ zal beslecht worden ten gunste van de arbeiders als zij in sterke en
godsdienstige organisaties hun doel nastreven.
2.4 Rerum Novarum en het bijbelse begrip gerechtigheid
Van diverse zijden is kritiek
geleverd op Rerum Novarum. De encycliek is te laat verschenen, zou eenzijdige
kritiek leveren op het socialisme en is weinig concreet in de oplossingen die
worden voorgedragen. Voor die kritiek is zeker wat te zeggen. Toch doen wij Leo
XIII onrecht als wij het bij deze kritiek zouden laten. Rerum Novarum als
geheel is in feite een luid protest tegen de uitbuiting van de arbeiders, één
grote oproep tot gerechtigheid. Paus Johannes Paulus II zegt het in zijn
encycliek Centesimus Annus, ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de
encycliek Rerum Novarum als volgt[14]: ‘De
wezenlijke inhoud van de encycliek was juist het aangeven van de fundamentele
voorwaarden voor de rechtvaardigheid in de economische en sociale conjunctuur
van toen’.
In Rerum Novarum neemt Leo XIII een
duidelijk moreel standpunt in. De kerk als geheel is daardoor en sindsdien
gebonden aan een duidelijke afwijzing van een van de centrale thema’s van het
liberale kapitalisme van de Westerse wereld, namelijk dat arbeid een
productiefactor is die rücksichtslos tegen marktprijzen kan worden gekocht,
waarbij alleen de wet van vraag en aanbod geldt en het irrelevant is wat de
behoeften zijn van de arbeider en diens gezin[15].
Het overeengekomen en dus
verschuldigde loon onthouden is een zeer zware zonde. Maar de paus gaat verder
dan dit. De werkgever kan er niet zondermeer van uitgaan dat hij aan zijn
(morele) verplichtingen heeft voldaan door het overeengekomen loon uit te
betalen. De paus bestrijdt dat de ‘wet’ van vraag en aanbod, die algemeen werd
aanvaard als een economische wetmatigheid, beschouwd moet worden als een
natuurwet, en daarom als een moreel uitgangspunt. De rechtvaardigheid komt in
verzet indien ‘een werkman door nood gedwongen of uit vrees voor erger hardere
voorwaarden aanvaardt en die zelfs tegen zijn wil wel moet aanvaarden, omdat
zij door de patroon of de aannemer worden opgedrongen’. De paus heeft het in
dit verband over verplichtingen van de werkgevers, speciaal ten aanzien van de
rechtvaardigheid. Het is een zware verplichting van de patroons om aan ieder te
geven wat rechtvaardig is. Bij een rechtvaardige loonsbepaling, zo gaat hij
verder, moet met meerdere factoren rekening worden gehouden.
De rijken en de patroons dienen
zich daarbij goed te herinneren dat ‘behoeftigen en zwakken uit te buiten ten
eigen bate en winst te zoeken uit de hulpeloosheid van anderen indruist tegen
goddelijk en menselijk recht’.
Verder is het onrechtvaardig om
‘zóveel werk te eisen, dat de geest door de overmatige arbeid verstompt en
tevens het lichaam door de vermoeienis bezwijkt’. De paus gaat zelfs zover dat
hij overheidsingrijpen niet uitsluit[16].
Want de eis ‘der natuurlijke rechtvaardigheid’ is dringender en ouder dan de
vrije wil van de contracterende partijen. Zonodig kan en mag de staat derhalve
ingrijpen waar het betreft de hoogte van het loon, arbeidstijden, hygiënische
maatregelen, kinder- en vrouwenarbeid en dergelijke, al waarschuwt hij wel dat
de overheid hierbij voorzichtig moet optreden en niet te onpas moet ingrijpen.
Een belangrijk effect[17] van
Rerum Novarum is dat met het publiceren van deze encycliek de kerk
ondubbelzinnig aan de zijde van de armen is gaan staan. De problematiek van de
armen en van de arbeiders (in die tijd vrijwel identiek aan elkaar) kan
sindsdien niet meer als marginaal worden afgeschilderd of als slechts een
subdoel van de kerk, als een vrijblijvend extraatje. Niet alleen de officiële
kerkelijke leer had dit effect, ook de praktische gevolgen van het verschijnen
van Rerum Novarum bewerkstelligden dit. De encycliek verleende immers een steun
in de rug aan degenen (priesters en leken) die al jaren trachtten de kerk meer
betrokken te krijgen bij sociale kwesties. En na het verschijnen werden ook
vele anderen actief in de ‘katholieke sociale actie’. Rerum Novarum heeft tallozen
geïnspireerd tot maatschappelijk engagement.
Dat de kerk ondubbelzinnig aan de
kant van de armen ging staan, had twee belangrijke gevolgen[18]:
·
De oorzaken van de armoede zijn sindsdien
serieus onderzocht door actieve kerkleden, en er werden pogingen ondernomen om
te komen tot effectieve oplossingen van het armoedevraagstuk. Tegelijkertijd
inspireerde Rerum Novarum de werkers en de armen, en bemoedigde hen.
·
Rerum Novarum heeft de basis gelegd voor het
begrip sociale rechtvaardigheid[19], al
werd die term toen nog niet gehanteerd. De Amerikaanse bisschoppen beschrijven
in 1986[20] de
sociale rechtvaardigheid aldus: ‘(….) houdt in dat personen een verplichting
hebben om actieve en productieve deelnemers te zijn in het leven van de
samenleving en dat de samenleving een plicht heeft om hen in staat te stellen
op die wijze deel te nemen. Deze vorm van rechtvaardigheid kan ook
‘bijdragende’ rechtvaardigheid worden genoemd, want het benadrukt de plicht van
iedereen die in staat is goederen, diensten en andere niet-materiële of
geestelijke waarden te helpen scheppen die noodzakelijk zijn voor het welzijn
van de hele gemeenschap. (….) Vormen van productie moeten ook worden beoordeeld
in het licht van hun uitwerking op de vervulling van basisbehoeften, niveaus
van werkgelegenheid, vormen van discriminatie, kwaliteit van het milieu en de
gemeenschapszin.’ Rerum Novarum wijst de lezers op het bestaan en de ernst van
het schandaal van de op grote schaal aanwezige sociale problematiek. De
encycliek heeft het over de opeenstapeling van rijkdommen bij enkelen en de
groeiende armoede en verpaupering van de grote massa arbeiders. Leo XIII neemt
hier duidelijk stelling tegen en biedt voor deze onrechtvaardige situatie een
eigen katholieke oplossing aan, die duidelijk anders is dan de oplossing die
het socialisme voorstaat. De paus stelt dat het een kwestie van
rechtvaardigheid is dat de armen niet mogen worden uitgebuit, en niet slechts
een kwestie van liefdadigheid. De in kringen van katholieke werkgevers wel
gehuldigde opvatting dat de caritas een voldoende adequaat hulpmiddel was om de
sociale kwestie op te lossen, verwerpt Leo XIII. In 1891 was dat een behoorlijk
radicale stellingname.
Leo XIII neemt formeel het
standpunt in dat ‘het’ socialisme geen oplossing kan bieden voor de sociale
kwestie[21],
sterker nog dat het strijdig is met de rechtvaardigheid. De paus was duidelijk
bevreesd voor de meer radicale aanhangers van het socialisme (en Marxisme) van
zijn tijd, en vreesde het oproer. Zijn formele stellingname heeft echter ook
nog een ander en breder doel: zonder beschuldigd te kunnen worden dat hij het socialisme
propageerde, kon Leo XIII de misstanden van het kapitalisme aan de kaak stellen[22]. K.
Boey[23]
formuleert het aldus: ‘In contrast met de oude vaste overtuiging van kerkelijke
leiders en intellectuelen dat de bestaande orde de enig mogelijke en de enig
denkbare maatschappelijke structuur vertegenwoordigt, beseft Leo XIII dat dit
niet het geval is, noch met de gelaïciseerde burgerlijke politieke orde die
door de revolutionairs van 1789 werd ontworpen, noch met de economische orde
die door het industriële kapitalisme werd opgelegd. (….) De sociale gevolgen
van het economische bestel acht hij des te minder aanvaardbaar daar hij ze niet
langer inschat als onvermijdelijke gevolgen van een bestel dat niet anders kan
zijn dan zoals het is’.
In feite poogt de paus een
middenpositie in te nemen tussen socialisme en kapitalisme:
·
De overheid dient neutraal te zijn. Het mag niet
zo zijn dat de overheid alleen of vooral de belangen van de rijken behartigt.
·
Veeleer dient de overheid zo nodig op te komen
voor de arbeiders en de armen, daar dezen veel minder dan de werkgevers en de
rijken in staat zijn om zelf voor de eigen belangen op te komen. Waar nodig (en
voorzover nodig) dient de overheid de belangen van de werkende klasse te behartigen.
·
Om de kloof tussen rijk en arm te dichten is
promotie van privé eigendom nodig. Het is derhalve in het belang van de
arbeiders dat zij in staat worden gesteld om eigendommen te verwerven.
·
Omdat het socialisme tegen privé eigendom is, is
dit systeem zeer onrechtvaardig.
Ten tijde van het verschijnen van
Rerum Novarum is de (Westerse) maatschappij wezenlijk structureel
onrechtvaardig. De rijken en de machtigen beheren niet alleen alle kapitaalgoederen
en daarmee de economie, in feite zijn zij het ook die de politieke macht in
handen hebben. In theorie is de overheid neutraal, en doet niet meer dan de
maatschappij beschermen tegen externe agressie, en zorgen voor de interne orde
en stabiliteit. Deze theorie wordt door de paus onderschreven, maar hij ziet
ook in dat in de praktijk het veeleer zo is dat de bezittende klasse ook
bepaalt wat de overheid doet of niet doet, vaak ten voordele van de bezitters
en ten nadele van de armen. Om een einde te maken aan de resulterende
structurele onrechtvaardigheid ziet de paus als oplossing dat de werkende
klasse zoveel mogelijk in staat wordt gesteld om zelf ook zich eigendommen te
verwerven. Je zou kunnen zeggen dat hij aldus een ‘verdelende (distributieve)
rechtvaardigheid[24]’
voorstaat, die verder strekt dan de zogenaamde ‘ruilrechtvaardigheid’ waarbij
de handelende partijen geacht worden gelijkwaardig aan elkaar te zijn. Deze
‘verdelende rechtvaardigheid vereist dat het aandeel in inkomen, rijkdom en
macht in de samenleving wordt beoordeeld in het licht van zijn gevolgen voor
mensen in wier eerste materiële behoeften niet is voorzien’, aldus de
Amerikaanse bisschoppen in 1986[25].
Leo XIII ziet een rol weggelegd
voor de kerk om te komen tot een oplossing van de sociale kwestie[26], te
weten door ‘de rijken en armen bij elkaar te brengen en met elkaar te
verzoenen, door namelijk beide klassen weer te brengen tot haar wederzijdse
verplichtingen, vooral die welke haar oorsprong vinden in de rechtvaardigheid’[27]. De
oplossing die de paus voorstaat om te komen tot het ‘bij elkaar brengen van
beide klassen’ is vooral gebaseerd op het handhaven van de rust en de
stabiliteit. Hij doet een dringend beroep op de werkgevers om rechtvaardig te
zijn jegens hun werklieden[28], en
hij doet een beroep op de overheid om zo nodig maatregelen te treffen[29].
Maar hij lijkt de proletariërs en de werklieden weinig machtsmiddelen aan te
reiken om zo nodig een rechtvaardige behandeling af te dwingen. Immers tot de
plichten van de werkende klasse behoort het om ‘volledig en getrouw de arbeid
te verrichten en om op generlei wijze het eigendom van de patroon te
beschadigen’[30].
Het lijkt er op dat bijvoorbeeld een werkstaking in de ogen van de paus niet is
geoorloofd. Donald Dorr merkt
hierover op dat Leo XIII ‘failed to give clear guidelines for political and
quasi-political action by the working class; and this was the only kind of
action which was likely to bring about the changes that would make society
just. (…..) It undoubtedly diminished the effectiveness of Rerum Novarum as a
cry of protest and a call for justice on behalf of the poor’[31].
Het moge zo zijn dat de paus geen
‘clear guidelines’ heeft gegeven, hij heeft wel degelijk – om het eens in
moderne termen te zeggen – enige oplossingsrichtingen aangegeven:
·
De morele oproep aan werkgevers om rechtvaardig
te zijn en te handelen;
·
De oproep aan de overheid om zonodig in te
grijpen en te zorgen voor rechtvaardige leef- en werkomstandigheden;
·
Een pleidooi voor het verwerven van
privaateigendom door de proletariërs; en
·
De erkenning van het recht dat de werklieden
hebben om zich te verenigen.
Over de eerste drie heb ik het in
het bovenstaande al gehad, over het laatste punt nog niet. Als een belangrijke
verklaring waarom de werklieden zo misbruikt konden worden, ziet de paus het
afschaffen van de gilden zonder dat een andere vorm van bescherming van de
werklieden daarvoor in de plaats was gekomen[32].
Daardoor zijn nu de werklieden, ‘niet verenigd en onverdedigd als zij waren,
ten prooi gevallen aan onmenselijke praktijken van hun meesters en aan een bandeloze
concurrentiezucht’. Met andere woorden: omdat de werklieden niet langer
georganiseerd zijn, en de maatschappij ook geen andere bescherming biedt,
kunnen zij het slachtoffer worden van uitbuiting. Het is dus niet zozeer dat
werkgevers slechter zouden zijn dan voorheen, of hebberiger, maar het is veeleer
de vraag of de huidige structuur van de maatschappij wel een rechtvaardige is.
De paus is van mening dat sociaal
onrecht derhalve voorkomen kan worden, ook als de rijken en de machtigen zich
niet willen bekeren (ondanks dat de kerk hen daartoe oproept), mits de armen en
de arbeiders zich maar kunnen verenigen (en aldus zichzelf beschermen). Een
juiste structuur van de maatschappij (o.a. het recht om zich te verenigen) kan
aldus structurele sociale ongerechtigheid voorkomen dan wel bestrijden.
[1] Gallagher, blz. 41.
[2] Baum, blz. 57
[3] Staf Hellemans, Is There a Future for Catholic Social Teaching after
the Waning of Ultramontane Mass Catholicism? In: Catholic Social Thought
Twilight or Renaissance? Red. J.S. Boswell, F.P. McHugh en J. Verstraeten.
Uitgeverij Peeters, Leuven 2000
[4] Sean O’Riordan c.ss.r., The teaching of the papal encyclicals as a
source and norm of moral theology: a historical and analytical survey, blz. 144
e.v. Verder aangeduid als ‘O’Riordan’.
[5] Donald Dorr, Option for the Poor, A Hundred Years of Vatican Social
Teaching, Revised Edition, Gill and MacMillan, Ireland 1992, blz. 15. Verder aangeduid als ‘Dorr’.
[6] Coleman en Baum, blz. 10
[7] Hermann Kinder en Werner
Hilgemann, Sesam Atlas bij de wereldgeschiedenis, deel 2 van Franse Revolutie
tot heden, tweede druk uitgave 1993, blz. 43
[8] Van hem stamt de beeldspraak
van de ‘onzichtbare hand’, waardoor het najagen van het eigenbelang door ieder
op de markt via vraag en aanbod als vanzelf het algemeen belang bevordert.
[9] Encycliek Centesimus Annus,
ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum,
1991, paragraaf 4. Verder aangeduid als ‘CA’.
[10] Encycliek Rerum Novarum
(1891) van paus Leo XIII, paragraaf 3. Verder aangeduid als ‘RN’.
[11] RN, 13 - 24
[12] RN, 25 - 35
[13] RN, 36 - 44
[14] CA, 5
[15] RN 16 – 17; 33 – 34. Zie ook
Dorr, blz. 14.
[16] RN, 29
[17] Dorr, blz. 15
[18] Dorr, blz. 57
[19] O’Riordan, blz. 144 - 145
[20] Economic Justice for
All; Catholic Social Teaching and the U.S. Economy, United States
Catholic Conference, paragraaf 71, hfdst. 2. Stichting Ark, Leusden, 1987.
Verder aangeduid als ‘Justice’.
[21] RN, 3 - 12
[22] Dorr, blz. 17
[23] K. Boey, Wijsgerige
achtergronden van het katholieke sociale denken. In: J.M.M. de Valk (red.),
Vernieuwing van het christelijk sociaal denken. Baarn 1989, blz. 48. Verder
aangeduid als ‘Boey’.
[24] RN, 27
[25] Justice, 70
[26] RN, 13 - 24
[27] RN, 16
[28] RN, 16 - 17
[29] RN, 25
[30] RN, 16
[31] Dorr, blz. 27
[32] RN, 2
Geen opmerkingen:
Een reactie posten